Korte beschrijvingen van de paragrafen van Zhuangzi

De Zhuangzi kent 33 hoofdstukken met in totaal 245 paragrafen 1. Hieronder geef ik een overzicht. Dit maakt het mogelijk om wat sneller in de Zhuangzi te zoeken. Nog niet alle hoofdstukken zijn voorzien van een beschrijving (gereed zijn hst 1-7, hst 17-22, hst 26-27). Waar een beschrijving ontbreekt maak ik voorlopig gebruik van de zoeklijst van de Nederlandse vertaling van Kristofer Schipper.

U kunt ook een selectie maken op basis van personen die in de paragrafen voorkomen (nog onvolledig en beperkt uitgewerkt).

of

Onderstaand overzicht telt 245 paragrafen.

1. 逍遙遊 Xiaoyaoyou - Zwerven, vrij en blij

Hst 1 paragraaf I 45-48
Afhankelijkheid (you dai) van de dingen.
Relativiteit van grootte, afstand, zwaarte, kracht, kennis en levensduur.

A. De vis Kun die transformeert (hua 化) in de Vogel Peng die vliegt naar het Zuiden.
B. Het krekeltje en de duif lachen om Peng (met 3e versie van het verhaal van Peng).
C. Kleine kennis en grote kennis (da zhi 大知 en xiao zhi 小知 ).
D. De ambtenaar, Song Rongzi en Liezi rijdt op de wolken.
Subsectie D kent een opbouw van steeds grotere 'onafhankelijkheid', culminerend in E.
E. De allerhoogste mens heeft geen 'ik' .
[Schipper: En daarom heet het: de allerhoogste mens heeft geen 'ik' [no fixed self, Z], de goddelijke mens heeft geen verdienste; de heilige mens heeft geen naam.]
[Wu: And­ so they say: "In the ultimately-arrived (ren) man there-is no need for self-asserting. In the spirit-filled man (shen) there-is-no need for merit-striving; In the holy-hearkening man (sheng ren) there-is-no need for name-labeling."].

Wu deelt deze sectie in 4 delen:
1. The Big (A),
2. The Small (B),
3. The Big and the small (B en C),
4. The Commen Men and the true Men (D en E).

Hst 1 paragraaf II 48-49
Yao wil het rijk afstaan aan Xu You.

Hst 1 paragraaf III 49-51
Jianwu sprak met Lianshu over onsterfelijkheid van de goddelijke mensen van de Gushe-bergen

Hst 1 paragraaf IV 51
Man uit Song handelde in staatsiehoeden.

Hst 1 paragraaf V 51
Yao bezoekt de bergen van Gushe en vergeet zijn koninkrijk.

Hst 1 paragraaf VI 51-52
Over nut en nutteloos:
Huizi zei tegen Zhuangzi: verhaal van de kalebassen en van de zijdeblekers.

Hst 1 paragraaf VII 52-53
Over nut en nutteloos:
Huizi zei tegen Zhuangzi: verhaal van de grote boom Chu.

2. 齊物論 Qiwulun - Verhandeling over de gelijkheid der dingen

Hst 2 paragraaf I 54-55
Ziqi van de Zuiderwal: zojuist had mijn 'zelf' mijn 'ik' ten grave gedragen.
Blaasmuziek van de aarde.

Hst 2 paragraaf II 55-56
Gedicht over grote en kleine kennis.

Hst 2 paragraaf III 57-60
Zonder de 'ander' is er geen 'ik'
Bepalen wat waar is en wat vals.

Hst 2 paragraaf IV 60-66
Het gebruik van tekens.
Het verhaal van de apenfokker die drie/vier noten uitdeelt .
De drie luitspelers.
Het beginnen en het nog niet begonnen begin.
De grote tao (nog uitwerken)

Het verhaal van de apenfokker staat ook in de Liezi hoofdstuk 2 paragraaf XIX (Meyer 2008 p97 / Graham 1960 p55). Het verhaal in de Liezi is uitgebreider en geeft een andere conclusie.

Hst 2 paragraaf V 66-67
Tandeloos vroeg aan Prinsenkind: Hoe zou ik dat weten?
Over Mensen, modderkruiper en apen en hun slaapplaats.

Hst 2 paragraaf VI 67-70
Meester Schuwe Ekster vroeg eens aan Meester Lange Plataan...
- o.a. over Confucius

Hst 2 paragraaf VII 70-71
Afhankelijkheid (you dai) van de dingen.
Watergeest vroeg aan de Schaduw: over afhankelijkheid.

Hst 2 paragraaf VIII 71
De droom van de vlinder en van Zhuangzi (butterfly dream).

3. 養生主 Yangshengzhu - Richtlijnen om het leven te voeden

Hst 3 paragraaf I 72
De grenzen van het leven. De jaren die je gegeven zijn ten einde leven.

Hst 3 paragraaf II 27-74
De meesterschap van kok Ding. Voeden van het leven.

Hst 3 paragraaf III 74
Gongwen Xian en de Aanvoerder van Rechts, met één voet, over het menselijk lot.

Hst 3 paragraaf IV 75
Vrijheid. De fazant die er niet om vraagt in een kooi te worden gestopt.

Hst 3 paragraaf V 75
Toen Lao Dan gestorven was kwam de Heremiet uit Qin rouw betuigen.

Hst 3 paragraaf VI 76
Kort fragment: "De hars brandt op in de toorts, maar het vuur wordt overgebracht, en niemand gaat waar het ooit zal eindigen".

4. 人間世 Renjianshi - De wereld van de mensen

Hst 4 paragraaf I 77-84
Over het mediteren en het 'vasten van het hart'.
Yan Hui bezoekt Confucius. Hui wil naar de 'tirannieke' heer van Wei om zijn wijze van regeren te verbeteren. Confucius wijst op het gevaar om met goed bedoelde adviezen tegen de heerser in te gaan en is bang dat Hui dat niet overleeft. Confucius adviseert het vasten van het hart. 'Luister niet met je oren maar luister met je hart. Luister niet meer met je hart maar luister met je qi' (..) Leeg zijn, dat is het vasten van het hart.

Hst 4 paragraaf II 84-87
Zigong die als gezant naar Qi wordt gestuurd vraagt raad aan Confucius. Over de zelfbeheersing en de aanpassing

Hst 4 paragraaf III 87-88
Over het zich aanpassen aan de natuurlijke omstandigheden. Yan He gaat te rade bij moordenaar Qu Boyu. De tijgertemmer doorgrondt de natuurlijke driften van de tijger. De bidsprinkhaan. De paardenliefhebber. Motto: wees voorzichtig.

Het verhaal van de tijgertemmer (3e alinea) is ook opgenomen in Liezi hoofdstuk 2 paragraaf VII (Meyer 2008 p80-81 / Graham 1960 p42-43). De paragraaf in de Liezi is veel uitgebreider (de zhuangzi geeft a.h.w. een korte samenvatting vanher verhaal van de tijgertemmer.

Hst 4 paragraaf IV 88-90
De timmerman en de heilige eik. Timmerman Shi keurt de heilige eik geen blik waardig vanwege het slechte overtollige hout. De eik verschijnt in de droom: nutteloosheid is voor mij van het grootste nut. De eik kan zo de door de hemel bestemde levensloop volbrengen.

Hst 4 paragraaf V 90-91
Ziqi van de Zuiderwal zag een grote boom:' Dit is werkelijk een boom die nergens toe dient (vanwege de kromme takken e.d.). 'geen wonder dat zij groot heeft kunnen worden. Ach de goddelijke mens! Door een dergelijk gebrek aan nuttige eigenschappen is hij geworden wat hij is'. Over nuttige bomen die vroegtijdig in het midden van hun levensloop door de bijl aan hun einde komen.

Hst 4 paragraaf VI 91-92
Gedrochtelijke Shu en zijn voorspoed. Hij wordt ontzien (geen krijgsdienst en krijgt als zieke wel te eten). 'Je mag dan wanstaltig van leden zijn, dat belemmert je niet om je lichaam te voeden en de je door de hemel beschoren levensjaren uit te leven.'

Hst 4 paragraaf VII 92-93
Toen Confucius in Chu verbleef zong de Gek van Chu een lied.

Hst 4 paragraaf VIII 93
Gedicht. Alle mensen kennen het nut van het nuttige: Niemand begrijpt het nut van het nutteloze.

5. 德充符 Dechongfu - Het teken van de volkomen deugd

Hst 5 paragraaf I 94-96
Wang Tai wiens voet was afgehakt heeft evenveel volgelingen als Confucius. 'Als je dingen beschouwt vanuit hun verschillen, dan liggen je lever en gal net zo ver uit elkaar als de landen van Wu en Yue. Als je ze beschouwt vanuit hun gelijkheid, dan zijn de tienduizend dingen alle één.'. 'De mensen spiegelen zich niet in stromend, maar in stilstaand water. Alleen dat wat stilstaat kan alles wat stil wil zijn stil maken.'

Hst 5 paragraaf II 96-98
Shentu Jia, wiens voet was afgehakt, was met een staatsman uit Heng in de leer bij Duisterman Afwezig. De staatsman doet neerbuigend en maakt Shentu woedend. 'Ik ben al negentien jaar bij hem [Duisterman Afwezig] en nog steeds heeft hij niet opgemerkt dat ik een geamputeerde voet heb. Thans bewegen jij en ik ons binnen in het lichaam maar jij haalt me daaruit naar buiten. Is dat niet verkeerd.'

Hst 5 paragraaf III 98-99
Shushan Zondertenen met afgehakte voet bezoekt Confucius
Zondertenen vertelt aan Lao Dan. De allerhoogste mens beschouwt beroemdheid alleen maar als banden en boeien voor zichzelf.

Hst 5 paragraaf IV 99-103
Hertog Ai van Lu vroeg aan Confucius over de afzichtelijke persoon Aitaito.
Zijn volmaakte levenskracht (quanten) wordt niet in zijn uiterlijk 'belichaamd'.

Hst 5 paragraaf V 103-104
Liploos de Mismaakte met de Bochel gaf raad aan de hertog Ling van Wei.
Over vergeten. Het hemels voedsel. 'Want de heilige mens maakt geen plannen, dus wat heeft hij aan kennis. Hij breekt niets, dus waarom zou hij lijm gebruiken? het ontbreekt hem aan niets, dus waar zou hij deugd voor moeten hebben. Hij heeft niets te koop, dus hieft hij niets te verhandelen. Deze vier omstandigheden worden hem door de hemel verschaft'.

Hst 5 paragraaf VI 104-105
Hui Zi vraagt aan Zhuangzi: Ken een mens werkelijk zonder gevoelens zijn?

6. 大宗師 Da Zongshi - De meester van de grote leer

Hst 6 paragraaf I 106-108
De ware mens en zijn ware kennis.
'Weten wat door de hemel gedaan wordt en weten wat door de mens gedaan wordt, dat is het allerhoogste weten.'

Hst 6 paragraaf II 109
Leven en dood: dat is het lot. Hun regelmaat, gelijk die van de dag en nacht: dat is de hemel.

Hst 6 paragraaf III 109
Elkaar vergeten in de Tao.

Hst 6 paragraaf IV 109-110
De hele wereld in de hele wereld verstoppen, zodat er niets is wat kan verdwijnen, dat is het grote principe om de dingen duurzaam te bewaren.

Hst 6 paragraaf V 110-112
Het gedicht (lofzang) over de tao en zijn werking.

Hst 6 paragraaf VI 113-114
Ziqi van de Zuiderwal en vrouw Yu die de Tao bezit.
Tao, de negen stadia van de openbaring.

Hst 6 paragraaf VII 115-116
Vier vrienden, de Meesters Si, Yu, Li en Lai zaten te praten.
Meester Yu wordt ziek en groeit schots en scheef. 'Zij die vrede hebben met het verloop van de tijd en berusten in de natuurlijke gang van zaken, op hen kan verdriet noch vreugde vat krijgen. Dat is wat de ouden noemden: "van boeien bevrijd zijn".'
Meester Lai wordt ziek. 'Als we nu de hemel en de aarde als een grote smeltpot beschouwen en de schepper als de grote smid, waar zou ik dan weigeren heen te gaan'.

Hst 6 paragraaf VIII 116-119
De dood van meester Sanghu en zijn beide vrienden hielden zich niet aan de voorgeschreven rouwrituelen. Zigong vertelt dat aan Confucius. "Die twee zwerven buiten de grenzen van de wereld, terwijl ik me nog steeds binnen de grenzen van de wereld bevind'.

Hst 6 paragraaf IX 119-120
Yan Hui vroeg aan Confucius over de rouwrituelen. 'Meneer Mengsun weet niet waarom men leeft, hij weet niet waarom men sterft, hij weet niet van vragen naar wat voorafgaat, noch naar wat beter komt. Aannemend dat hij door een veranderingsproces tot een schepsel geworden is, dan wacht hij in die hoedanigheid op een onkenbaar volgend transformatieproces, en dat is alles!'
Dromen dat je een vis of een vogel bent.

Hst 6 paragraaf X 120-121
Meester leergraag wil langs het kronkelpad van verandering kunnen zwerven.

Hst 6 paragraaf XI 121-122
Dialoog Yan Hui en Confucius over zitten en vergeten.

Hst 6 paragraaf XII 122-123
Zisang en het noodlot.

7. 應帝王 Yingdiwang - Koning zijn in overeenkomst met het opperwezen

Hst 7 paragraaf I 124
Tandeloos en het Prinsenkind praten over kennis. Vier vragen en vier keer was het antwoord 'ik weet het niet'

Hst 7 paragraaf II 124-125
Jianwu en Jieyu de Gek over de leer van Confucius.

Hst 7 paragraaf III 125-126
Hemelvast en de Mens Zonder Naam over de ordening van de wereld. ' laat je hart zijn geluk vinden in de eenvoud, bundel je levenskrachten in de stilte. Volg de spontane beweging der dingen en keoster geen enkele persoonlijke voorkeur. Dan zal de wereld geordend zijn.

Hst 7 paragraaf IV 127-130
Lao Zi (Oude Langoor) en Yang Ziju over de verlichte koning. 'Zijn goede werk verbreidt zich over de ganse wereld, maar ziet eruit alsof het niet van hem komt..'

Hst 7 paragraaf V 130
Lie Zi, de sjamaan en Meester Kalebas. Hoe meeester Kalebas de sjamaan alle hoeken van de Tao laat zien.

Zie ook Liezi hoofdstuk 2 paragraaf XIII (Meyer 2008 p86-89 / Graham 1960 p47-49). Vergelijkbare paragraaf.

Hst 7 paragraaf VI 130-130
De allerhoogste mens gebruikt zijn hart als een spiegel: dingen komen en gaan zonder meer, hij weerspiegelt zonder iets vast te houden.

Hst 7 paragraaf VII 130-131
De dood van Kundun [hun-tun]

8. 駢拇 Pianmu - Tenen met vliezen

Hst 8 paragraaf I 135-140
Medemenselijkheid en gerechtigheid zijn geen natuurlijke deugden.

9. 馬蹄 Madi - Paardenhoeven

Hst 9 paragraaf I 141-144
Natuurlijke samenleving

10. 胠篋 Quqie - Koffers openbreken

Hst 10 paragraaf I 145-150
Natuurlijke samenleving

Hst 10 paragraaf II 150-152
Tijdperk van de hoogste deugd

11. 在宥 Zaiyou - De vrije loop

Hst 11 paragraaf I 153-155
De wereld de vrije loop laten. Nietsdoen

Hst 11 paragraaf II 156-158
Lao Zi (Oude Langoor) en Cui Qu over het bestuur

Hst 11 paragraaf III 158-161
De Gele Keizer en de Meester van Wijde Volkomenheid

Hst 11 paragraaf IV 161-164
Wolkenaanvoerder en Wijde Weetniet

Hst 11 paragraaf V 164-165
Eenzaam zwerven

Hst 11 paragraaf VI 165
De grote mens

12. 天地 Tiandi - Hemel en aarde

Hst 12 paragraaf I 166-167
Tao en wereldbeschouwing

Hst 12 paragraaf II 167-168
Nietsdoen

Hst 12 paragraaf III 168-169
Tao en deugd

Hst 12 paragraaf IV 169-170
De Gele Keizer en zijn duistere parel

Hst 12 paragraaf V 170-171
Het bestuur van de wereld

Hst 12 paragraaf VI 171-172
Wijs zijn in de wereld

Hst 12 paragraaf VII 172-173
Politiek van beloning en straf

Hst 12 paragraaf VIII 173-174
Het Ene en de mysterieuze deugd

Hst 12 paragraaf IX 174-175
Confucius en Oude Langoor over de sofisten

Hst 12 paragraaf X 175-176
De deugd nodig om koning te zijn

Hst 12 paragraaf XI 176-179
Tuinman van Heer Chaos

Hst 12 paragraaf XII 179-180
De goddelijke mens. Simpele Mist en de Grote Plas

Hst 12 paragraaf XIII 180-181
Het bestuur vanuit de allerhoogste deugd

Hst 12 paragraaf XIV 181-183
De dwalingen van de wereld. De melaatse moeder en haar kind

Hst 12 paragraaf XV 183-184
Het bederven van de oorspronkelijke natuur

13. 天道 Tiandao - De Tao van de hemel

Hst 13 paragraaf I 185-186
De stilte en Tao

Hst 13 paragraaf II 186-187
Harmonie en hemelse vreugde

Hst 13 paragraaf III 188
Hemel en aarde

Hst 13 paragraaf IV 188-190
Confucius wil zijn klassieke boeken aan Lao Zi (Oude Langoor) geven

Hst 13 paragraaf V 190-191
Lao Zi en de scholaster

Hst 13 paragraaf VI 191-192
Tao van de allerhoogste mens

Hst 13 paragraaf VII 192-193
Dialoog tussen wagenmaker Pian en Graaf Huan over de woorden van wijze mannen.

14. 天運 Tianyun - De kringloop van de hemel

Hst 14 paragraaf I 194-195
Kosmologie van Xian de sjamaan

Hst 14 paragraaf II 195-197
Zhuang Zi over de deugd

Hst 14 paragraaf III 197-201
Muziek van de Gele Keizer

Hst 14 paragraaf IV 201-204
Confucius op reis naar Wei

Hst 14 paragraaf V 204-206
Confucius ondervraagt Lao Zi over de Tao. Lao Zi onderwijst Confucius over de Tao

Hst 14 paragraaf VI 206-209
Confucius en Zigong te leer bij Oude Langoor. Lao Zi (Oude Langoor) onderwijst Confucius en Zigong

Hst 14 paragraaf VII 209-211
Confucius spreekt met Oude Langoor over de klassieke boeken. Lao Zi (Oude Langoor) onderwijst aan Confucius de verandering der dingen

15. 刻意 Keyi - Vooroordelen

Hst 15 paragraaf I 212-215
Vooroordelen en aanmatigend gedrag

16. 繕性 Shanxing - De natuur verbeteren

Hst 16 paragraaf I 216-219
Tao en natuur

17. 秋水 Qiushui - Herfstvloed

Hst 17 paragraaf I 220-228
De Riviergraaf (Hebo) en de God van de Noordelijk Wereldzee (Ruo)
over het relatieve van groot en klein.
Gedicht over het beschouwen vanuit de Tao.

Hst 17 paragraaf II 229-230
De Kui en de duizendpoot, de slang en de wind.

Hst 17 paragraaf III 230-31
Confucius wordt omsingeld door de mannen van Wei.
Over moed.

Hst 17 paragraaf IV 231-233
Gungsun Long en Prins Mou.
De kikker in de put..
Over de ontoereikendheid van de eigen wijsheid

Hst 17 paragraaf V 234
Zhuang Zi zit te vissen en twee raadsleden bieden hem een functie aan.

Hst 17 paragraaf VI 234-235
Zhuang Zi bezoekt eerste minister Hui Zi.

Hst 17 paragraaf VII 235
Zhuang Zi met Hui Zi op de brug van de Hao Rivier (Happy Fish dialog).

18. 至乐 Zhile - Het volmaakte geluk

Hst 18 paragraaf I 236-238
Essay over het geluk.
'Ik beschouw het niets doen als het werkelijke geluk'. 'Het volmaakte geluk is geen geluk; de hoogste waardering is geen waardering. 'Daarom zeg ik: laat de wereld niets doen, en niets zal ongedaan blijven. O mensen! Wie kan vasthouden aan dit nietsdoen'.

Hst 18 paragraaf II 238
Hui Zi condoleert Zhuang Zi, wiens vrouw net is overleden. Hij zat op een vat te trommelen en te zingen.
Verandering van Qi.

Hst 18 paragraaf III 239
Op de arm van meneer de Malle groeit een gezwel. '...nu ben ik het die aan verandering (化 Hua) onderhevig is..'. 'Wat zou ik daar nou akelig aan vinden? Leven is niets anders dan lenen. Dat wat we lenen om te leven is stof.'

Hst 18 paragraaf IV 239-240
Zhuang Zi zag een leeg schedel langs de weg liggen. ' Hoe zou ik ooit deze vreugde van de doden willen opgeven om de vermoeienissen van het mensenleven daarvoor terug te krijgen'.

Hst 18 paragraaf V 240-242
Dialoog Zigong met Confucius.
'In een kleine zak kun je geen grote dingen stoppen, en met een kort touw kun je geen diep water putten'. Ieder schepsel heeft van het lot zijn eigen sterke kanten gekregen en ieder lichaam is voor bepaalde dingen geschikt.'
Het verhaal van de zeevogel die door de hertog gevoed werd met de lekkerste spijzen, waarna de vogel overleed.

Hst 18 paragraaf VI 242
Lie Zi was op reis en zag een honderd jaar oude schedel.

Zie ook Liezi hoofdstuk 1 paragraaf IV 1e alinea (Meyer 2008 p57 / Graham 1960 p20-21). Deze paragraaf is in de Liezi een alinea. De gehele paragraaf is in de Liezi veel uitgebreider.

Hst 18 paragraaf VII 242-243
Schets hoe het een uit het ander voortkomt. '..de tienduizend dingen komen alle voort uit kiemen en keren alle terug tot kiemen.'

19. 達生 Dasheng - Het leven doorgronden

Hst 19 paragraaf I 244-245
Kort essay over het doorgronden van het leven.

Hst 19 paragraaf II 245-246
Dialoog tussen Meester Lie Zi en Guanyin over het vermijden van ongeluk.
'De allerhoogste mens kan onder het water blijven zonder te verstikken etc.'
Iemand die dronken van de kar afvalt.

Zie ook Liezi hoofdstuk 2 paragraaf IV (Meyer 2008 p75-76 / Graham 1960 p37-38)

Hst 19 paragraaf III 246-247
Confucius kwam een man tegen die krekels ving (cicada catcher).

Zie ook Liezi hoofdstuk 2 paragraaf X (Meyer 2008 p83-84 / Graham 1960 p44-45). De paragraaf in de Liezi is uitgebreider.

Hst 19 paragraaf IV 247-248
Yan Yuan had een vraag voor Confucius. De veerman en de diepe kolk [ferry driver]. 'Zelfs al zouden de tienduizend dingen voor zijn ogen ondersteboven vallen, dan zou hij daar toch niet in zijn innerlijk door beroerd worden.'

Zie ook Liezi hoofdstuk 2 paragraaf VIII (Meyer 2008 p81-82 / Graham 1960 p43-44). De paragraaf in de Liezi is uitgebreider

Hst 19 paragraaf V 248-249
Advies over het voeden van het leven (yangsheng) met twee anecdotes over twee mannen die hierin falen.

Hst 19 paragraaf VI 249-250
De voorbidder van de voorvadertempel en het varken. Vergelijking van het perspectief over het leven van het varken en dat van de offeraar.

Hst 19 paragraaf VII 30-251
Een anecdote over Hertog Huan die verontrust is over een geestesverschijning.

Hst 19 paragraaf VIII 251-252
Ji Xingzi die een vechthaan traint.

Zie ook Liezi hoofdstuk 2 paragraaf XX (Meyer 2008 p97-98 / Graham 1960 p57). Vergelijkbare paragraaf.

Hst 19 paragraaf IX 252
Confucius bezocht een waterval en zag een kerel die aan het zwemmen was.

Zie ook Liezi hoofdstuk 2 paragraaf IX (Meyer 2008 p82-83 / Graham 1960 p44). Anekdote is in de Zhuangzi iets korter, maar verder vergelijkbare paragraaf.

Hst 19 paragraaf X 252-253
Meesterhoutnsijder Qing maakt een hangraam voor een klokkenspel (skilful Bell carver)

Hst 19 paragraaf XI 253-254
Ji van het Oosterveld en zijn paardendressuur.

Hst 19 paragraaf XII 254
Meester Chui kon cirkels trekken alsof ze met een passer gemaakt waren. '..als je in je hart lekker voelt, dan denk je niet aan 'welles' of 'nietes'...

20. 山木 Shanmu - De boom in de bergen

Hst 20 paragraaf I 255-256
Zhuang Zi liep in de bergen en zag een grote boom. De boom kon dankzij het onbruikbare hout zijn natuurlijke levensduur behouden.

Hst 20 paragraaf II 257-259
De wijsgeer van Nanshi adviseert de hertog van Lu over de kunst het leed te vermijden.
'Want mensen om je heen hebben brengt beslommeringen, en mensen die op je toezien geven narigheid'.
'Iemand die zichzelf kan leegmaken en zo in de wereld rondzwerven, wie zou die ooit kunnen deren'.

Hst 20 paragraaf III 259-260
She van het Noordpaleis verzamelt bijdragen voor het maken van een klokkenspel.
'... alles gaat terug tot het onbewerkte blok'.

Hst 20 paragraaf IV 260-261
Confucius werd omsingeld tussen Chen en Cai. De oude heer Ren vertelt over de Tao om niet te sterven (laat alle roem en succes varen). De allerhoogste mens is niet uit op faam.

Hst 20 paragraaf V 262-263
Confucius wendt zich tot Meester Sanghu.
Anecdote over Lin Hui die vluchtte met zijn kindje op de rug terwijl hij een jade schijf van onschatbare waarde achterlaat.

Hst 20 paragraaf VI 263-264
Zhuang Zi gaat naar de koning van Wei en spreekt over zijn rampspoed. 'Wanneer een man de deugd van de Tao bezit maar die niet kan betrachten, dat is rampspoed'. In deze tijd van gedegenereerde vorsten en corrupte ministers, ook al zou men dat niet willen, hoe kan men anders in rampspoed leven?

Hst 20 paragraaf VII 264-265
Confucius zit in de penarie tussen Chen en Cai (zie sectie IV).
Dialoog tussen Yan Hui en Confucius. 'Not to receive (as evils) the inflictions of Heaven is easy; not to receive (as benefits) the favors of men is difficult. There is no beginning which was not an end. The Human and the Heavenly may be one and the same.' (Chen 2016 p 164)

Hst 20 paragraaf VIII 266-267
Zhuang Zi wandelt in het park van de Haviksheuvel (Tiao ling).
De 'achtervolgingsreeks' : parkopzichter - Zhuang Zi met kruisboog - vogel - Mantis - krekel.
'Niets dan narigheid bezorgen wezens elkaar. Zie wat hier de ene soort de andere aandoet.

Hst 20 paragraaf IX 267
De twee bijzitten van de herbergier.
Yang Zi zegt tegen zijn discipelen: 'Zolang jullie deugdzaam handelen maar je ontdoet van de gedachte dat jullie deugdzaam zijn, zullen jullie waar dan ook steeds geliefd zijn!'

Zie ook Liezi hoofdstuk 2 paragraaf XVI (Meyer 2008 p92 / Graham 1960 p52). Vergelijkbare paragraaf.
Zie ook Han Feizi Boek 7, hst XXII Collected persuasions, the upper series. Nagenoeg identieke paragraaf

21. 田子方 Tian Zifang - Tian Zifang

Hst 21 paragraaf I 268-269
Tain Zifang die bij de hertog zat beriep zich op een zeker Qi Gong, een dorpsbewoner. Over zijn oude leermeester spreekt hij niet 'Hij is een waarachtige onder de mensen (...) Wie ben ik dat ik me op hem zou mogen beroepen'. De hertog: 'Alle dingen die ik bestudeerd heb [de woorden van Confucius] zijn niet anders dan kleipoppen'.

Hst 21 paragraaf II 269-270
Meester Wenbo Xue, vermoedelijk uit de zuidelijke staat Chu, wil geen mensen uit de Landen van Midden ontvangen: 'zij zijn zeer briljant wat betreft het ritueel en de moraal, maar erg dom waneer het gaat om de kennis van het menselijk hart.'
Confucius komt langs en zwijgt: 'Iemand zoals hij hoef je alleen maar te zien om te beseffen dat hier de Tao aanwezig is. En dat is echt niet in woorden uit te drukken'.

Hst 21 paragraaf III 270-271
Dialoog Yan Yan met Confucius. Hij zegt dat Confucius het vertrouwen van de mensen weet te wekken'. Over vergankelijkheid: '... het is wachten om te sterven, en dan weer wachten om geboren te worden'.

Hst 21 paragraaf IV 272-274
Confucius op bezoek bij Lao Dan.
[meditatie] ...daarnet, meester, hield u uw lichaam zo stram dat het wel leek alsof het dor hout was...
Lao Dan: 'Ik liet mijn geest wandelen in begin der dingen.' De allerhoogste mens blijft één met de dingen.

Hst 21 paragraaf V 274-275
Zhuang Zi bracht een bezoek aan hertog Ai van Lu. Er zijn weinig Confucianisten in Lu (alleen maar in uiterlijk vertoon).

Hst 21 paragraaf VI 275
Boli Xi liet nooit enige overwegingen van hoge positie of van geldelijke beloning binnendringen in zijn hart.

Hst 21 paragraaf VII 275
Yuan de heer van Song herkent een echte meester-schilder.

Hst 21 paragraaf VIII 276-277
Koning Wen laat de regering over aan de oude man van Zang.
Dialoog Yan Yuan en Confucius.

Hst 21 paragraaf IX 277-278
Lie Yukou liet aan Duisterman Afwezig zien hoe goed hij kon boogschieten. Maar aan de rand van de afgrond raakt hij in paniek. 'De allerhoogste mens zal waar hij ook rondzwerft geen zier veranderen.

Zie ook Liezi hoofdstuk 2 paragraaf V (Meyer 2008 p76-77 / Graham 1960 p38-39)

Hst 21 paragraaf X 278-279
Dialoog Jianwu en Sunshu Ao: 'Drie keer was je eerste minister zonder op je glorie prat te gaan, en drie keer werd je ontslagen, zonder maar een spoor van verdriet te tonen.
Volgt commentaar van Confucius.

Hst 21 paragraaf XI 279
De heer van Fan zat bij de koning van Chu die zijn land wilde annexeren.
over behoud van de Tao.

22. 知北遊 Zhi Bei You - Kennis reisde naar het noorden

Hst 22 paragraaf I 280-282
De Gele Keizer en kennis. Wie weet spreekt niet; wie spreekt weet niet. Daarom betracht de heilige mens een leer zonder woorden.

Hst 22 paragraaf II 282-283
Hemel en aarde bezitten hun grote schoonheid, maar ze praten daar niet over.

Hst 22 paragraaf III 283-284
Tandeloos ondervraagt Kazuifel over de Tao. ook over meditatie: als uitgedroogd hout, zijn lichaam! Als uitgedoofde as zijn hart.

Hst 22 paragraaf IV 284-285
Shun en zijn minister met de vraag of het mogelijk is de Tao te verkijgen en te behouden.

Zie ook Liezi hoofdstuk 1 paragraaf XIV (Meyer 2008 p67 / Graham 1960 p29-30)

Hst 22 paragraaf V 285-288
Confucius ondervraagt Oude Langoor over de Tao. 'Ga dan vasten om je hart te zuiveren, je geestelijke essentie te louteren en je kennis te verwijderen.
Het leven van de mens tussen hemel en aarde is als een lichtstraal die door een opening in de muur valt: een ogenblik en het is voorbij.

Hst 22 paragraaf VI 288-289
Ziqi van de Zuiderwal odervraagt Zhuangzi over de Tao. Tao is overal, zelfs in uitwerpselen.

Hst 22 paragraaf VII 289-290
Ahegan en Shennong in de leer bij de oude draak. Over meditatie.

Hst 22 paragraaf VIII 290-291
Hoogste Zuiverheid en Eindeloos praten over de Tao.

Hst 22 paragraaf IX 292
Helder Licht vraagt aan Niemendal of hij wel bestaat.

Hst 22 paragraaf X 292
De smid die voor de grootmaarschalk agrafen maakte, had op eenentachtigjarige leeftijd nog niets van zijn vaardigheid verloren.

Hst 22 paragraaf XI 293-294
Confucius over heden en verleden

23. 庚桑楚 Geng Sangchu - Gengsang Chu

Hst 23 paragraaf I 297-303
Gengsang Chu bij de bewoners van de Woeste Bergen. Lao Zi en Nanrong Zhu. Nanrong Zhu wil op oude leeftijd nog de Tao leren

Hst 23 paragraaf II 304
De hoge stilte

Hst 23 paragraaf III 304
Leren is leren wat je niet kunt leren

Hst 23 paragraaf IV 304-306
Voeden van het lichaam

Hst 23 paragraaf V 306-307
In het leven is alles één. Tao maakt alles één

Hst 23 paragraaf VI 307-308

Hst 23 paragraaf VII 308
Beleefdheid

Hst 23 paragraaf VIII 309
Wil, hartstocht, ambitie, etc. zijn versperringen van de Tao

Hst 23 paragraaf IX 309-310
Stil zijn en mediteren

24. 徐無鬼 Xu Wugui - Xu Wugui

Hst 24 paragraaf I 311-313
Xu Wugui bij de hertog van Wei

Hst 24 paragraaf II 313-314
Xu Wugui bij de hertog van Wei

Hst 24 paragraaf III 314-316
De Gele Keizer bij de Grote Berggod

Hst 24 paragraaf IV 316-317
Wil, hartstocht, ambitie, etc. zijn versperringen van de Tao

Hst 24 paragraaf V 317-319
Zhuang Zi en Hui Zi over de filosofie

Hst 24 paragraaf VI 319-320
Zhuang Zi bij het graf van Hui Zi

Hst 24 paragraaf VII 320-321
Guan Zhong en zijn opvolging

Hst 24 paragraaf VIII 321
De apen en de koning van Wu

Hst 24 paragraaf IX 321-322
Ziqi van de Zuiderwal mediterend

Hst 24 paragraaf X 322-324
Zhongni komt naar Chu en de koning geeft een feestmaal.
‘Wat mij betreft,’ zei Confucius, ‘ik heb het spreken zonder woorden geleerd. Immers, wanneer de deugd zich bundelt in het een-zijn met de Tao, en de woorden verstillen in het niet-weten van onze kennis, dan wordt het allerhoogste bereikt.

Hst 24 paragraaf XI 324-325
Ziqi van de Zuiderwal en zijn acht zonen

Hst 24 paragraaf XII 325-326
Xu You weigert het koningschap van Yao

Hst 24 paragraaf XIII 326-327
Betweters klaplopers en uitslovers

Hst 24 paragraaf XIV 327-330

25. 則陽 Zeyang - Ziyang

Hst 25 paragraaf I 331-332

Hst 25 paragraaf II 332-333
De heilige mens die handelt in overeenstemming met zijn lot en die de hemel als zijn meester ziet.

Hst 25 paragraaf III 333-334

Hst 25 paragraaf IV 334-336
De waanzin van de oorlog

Hst 25 paragraaf V 336-337
Confucius op weg naar de koning van Chu voor een ambt

Hst 25 paragraaf VI 337-338
De opzichter van de altaren

Hst 25 paragraaf VII 338-339
Lao Zi (Oude Langoor) en zijn leerling Bo Ju

Hst 25 paragraaf VIII 339-340
Qu Boyu en zijn veranderingen

Hst 25 paragraaf IX 340-341
Graaf Ling van Wei en zijn graf

Hst 25 paragraaf X 341-345
Gemeenschapswoorden

26. 外物 Wai Wu - Uiterlijke dingen

Hst 26 paragraaf I 346-347
Als Yin en Yang verkeerd lopen, dan komen hemel en aarde in opschudding, vuur in het water dat de grootste bomen kan verbinden. En zo is het ook met de twee valkuilen van geluk en verdriet.

Hst 26 paragraaf II 347
Zhuang Zhou's familie lijdt armoede.
Hij wil een beetje graan lenen bij de Watergraaf en krijgt een belofte dat hij later geldstukken kan lenen.
De snoek in de greppel vraagt om een emmertje water en krijgt de belofte dat in de toekomst de waterstroom verlegd zal worden.

Hst 26 paragraaf III 347-348
Prins Ren wierp zijn hengel uit in de Oosterzee en vangt na een jaar een grote vis.

Hst 26 paragraaf IV 348-349
Met hun 'Oden' en 'Riten' beroven Confucianisten een graf.

Hst 26 paragraaf V 349-350
Laolai Zi zegt tegen Confucius: 'De heilige mens is behoedzaam wanneer hij iets begint, en daarom slaag hij uiteindelijk in alles wat hij onderneemt. Maar wat heb jij bereikt met al je streven? Uiteindelijk alleen die aanmatigende houding van je!'

Hst 26 paragraaf VI 350-351
De heilige schildpad verschijnt in een droom aan de vorst Yuan maar ontsnapt niet aan de netten van de visser Yu Ju.
Als je je van het kleine verstand ontdoet, zal het grotere begrip zich ontplooien.
Vissen zijn niet bang voor netten, ze zijn alleen bang voor aalscholvers.

Hst 26 paragraaf VII 351-352
Hui Zi zei tegen Zhuang Zi: ‘Wat jij vertelt is nutteloos!’
Over het nut van het nutteloze (commentaar bij hst 1 paragraaf VII)

Hst 26 paragraaf VIII 352
Geleerden die de huidige tijd verguizen.
Het is de allerhoogste mens die in staat is in deze wereld rond te zwerven zonder partij te kiezen, en die de anderen kan volgen zonder daarbij zichzelf te verliezen.

Hst 26 paragraaf IX 353
Over het blokkeren van de Tao.

Hst 26 paragraaf X 353-355
De visnet allegorie.
Woorden bestaan vanwege hun betekenis, en als je de betekenis begrepen hebt, dan kun je de woorden vergeten. Waar zal ik iemand vinden die de woorden is vergeten, zodat ik een woordje met hem kan spreken.

27. 寓言 Yuan - Schuilwoorden

Hst 27 paragraaf I 356-358
In deze paragraaf wordt de retoriek van Zhuangzi besproken.
Het is een 'vervolg' op hoofdstuk 2.
Er zijn schuilwoorden of parabels (Yuan), wichtige woorden of gezegdes (Zhongyin) en leuke woorden (Zhiyan).
De tienduizend dingen en het hemelse evenwicht (het Hemelse Kind).

Hst 27 paragraaf II 358-359
Zhuangzi zegt tegen Huizi: In zestig jaar veranderde Confucius zestig keer".

Hst 27 paragraaf III 359
Zeng Zi werd twee keer met een hoog ambt bekleed en tweemaal veranderde hij.
'Iemand die vrij van banden is beschouwd drie mud of drieduizend ton als mussen of muggen die hij voorbij ziet vliegen'.

Hst 27 paragraaf IV 359-360
Yangcheng Ziyou zei tegen Ziqi van de Zuiderwel.
Gedicht: het eerste jaar was ik wild, het tweede... etc, het zevende jaar werd mijn hemelse natuur vervolmaakt.

Hst 27 paragraaf V 360
We worden geboren om te sterven.

Hst 27 paragraaf VI 360-361
De Watergeest vroeg eens aan de Schaduw.
Yang-kracht
zie ook hst 2 VII

Hst 27 paragraaf VII 361-362
Yang Ziju vraagt aan Lao Zi naar zijn fouten: 'Je kijkt zo verwaand uit je ogen'.

Zie ook Liezi hoofdstuk 2 paragraaf XV (Meyer 2008 p91-92 / Graham 1960 p51-52). Vergelijkbare paragraaf.

28. 讓王 Rang Wang - Afstand doen van het koningschap

Hst 28 paragraaf I 363-364
Yao wilde het rijk afstaan aan Xu You, maar die weigerde. Hetzelfde met Zhji van Zizhou die een verdrietige ziekte heeft opgelopen en met zijn genezing aan de gang gaat.
Shun wilde ook het rijk afstaan aan achtereenvolgens Zhi van Zizhou, Shanjuan en Shihu. Allen weigerden.
Shanjuan leefde vrij en blij tussen hemel en aarde en zou niet weten wat hij met het rijk zou moeten. Hij weigerde en vertrok diep in de bergen.
Shihu vertrok na het verzoek naar de eilanden van de onsterfelijken.

De 1e en laatste alinea ook in de Lüshi Chunqiu hst 2/2.2 en hst 19/1.2

Hst 28 paragraaf II 364-365
Koning Dan werd door het Di-volk aangevallen. Hij gaf hun geschenken maar ze wilden het land.
De koning vertrok met zijn volk in een lange stoet en stichtte een nieuw koninkrijk. "Van deze grote koning en voorvader Dan mag werkelijk gezegd worden dat hij het verstond het leven te eerbiedigen".

Ook in Lüshi Chunqiu hst 21/4.2.
Zie ook notitie Yangisten

Hst 28 paragraaf III 365-366
Prins Sou wilde het koningschap niet maar het volk van Yue wilde hem daarom als koning hebben.

Ook in Lüshi Chunqiu hst 2/2.3

Hst 28 paragraaf IV 366
Meester Zihua geeft raad aan markies Zhaoxi van Wei.
De markies is in oorlog met Han. De meester toont dat de markies afbreuk doet aan zijn gezondheid en zijn leven bederft vanwege de bezorgdheid Han niet in bezit te krijgen.

Ook in Lüshi Chunqiu hst 21/4.3

Hst 28 paragraaf V 366-367
De heer van Lu wil geschenken sturen naar Yan He, een leerling van Confucius. Toen Yan He dat hoorde was hij nergens meer te vinden. "Zo zie je dat mensen zoals Yan He echt een hekel hebben aan positie en aan geld."

...de ware Tao is op je gezondheid passen; wat er dan nog aan energie overschiet mag wel gebruikt worden voor je eigen land, en je uitwerpselen zijn er om het rijk mee te regeren.
(...)
Als de heilige mens iets onderneemt, dan kun je er zeker van zijn dat hij eerst goed onderzoekt waar het toe leidt en waar het om is. Als er vandaag lieden zouden zijn die parels van de markies van Sui als kogels voor hun kruisboog gebruiken om er mussen mee te gaan schieten, dan zouden ze beslist worden uitgelachen. De reden daarvoor is dat wat ze gebruiken veel waard is en wat ze ermee hopen te verkrijgen heel weinig. En het leven, is dat niet nog veel meer waard dan de parels van de markies van Sui?

Chen Guying: Regulating the person and regulating the state are two major constituent parts of Daoist thought, but regulating the person is of prime importance to the Zhuangzi school. The use of the literary quotation about the Marquis Sui 随 using a pearl to shoot a bird emphasizes the fact that life is more important than things.

Zie ook notitie yangisten

Hst 28 paragraaf VI 367-368
Lie Zi, die leeft in armoede, krijgt graan aangeboden van de minister van de koning van Zheng. Liezi weigert tot verdriet van zijn vrouw het aanbod: ‘Die vorst kent me niet!’ zei Lie Zi lachend. ‘Hij stuurde me graan vanwege wat de mensen hem over mij vertelden. Zodoende zou hij ook, opnieuw afgaande op wat de mensen hem vertellen, mij ook eens kunnen veroordelen. Dat is de reden waarom ik het graan geweigerd heb.’ Ten slotte kwam het volk inderdaad tegen Ziyang in opstand en bracht hem ter dood.

Hst 28 paragraaf VII 368-369
De schapenslager Yue weigert een aanbod van koning Zhao van Chu omdat hij vindt dat hij dat niet verdient.
‘Ik weet dat de positie van staatsminister verhevener is dan mijn positie hier in de schapenstal. Ik geef me ook rekenschap van het feit dat een traktement van tienduizend mud graan overvloediger is dan wat het schapen slachten me oplevert. Maar hoe zou ik ooit, omdat ik zin heb in een hoge positie en een rijk traktement, mijn vorst de reputatie van iemand die in het wilde weg dingen weggeeft willen bezorgen? Ik mag dit niet aannemen en verkies terug te keren naar mijn schapenstal.’ "

Hst 28 paragraaf VIII 369-370
Zigong brengt in zijn luxe rijtuig een bezoek aan Yuan Xian die eenvoudig leeft. Beiden zijn leerlingen van Confucius. ‘Ik heb geleerd dat wanneer je geen geld hebt, dan ben je arm,’ antwoordde Yuan Xian. ‘En dat wanneer je over de Tao hebt geleerd, maar je kunt die niet in praktijk brengen, dat je er dan naar aan toe bent. Ik ben arm, maar ik ben er niet naar aan toe.’

Hst 28 paragraaf IX 370-371
Zengzi leeft in armoede.
De koning kon hem niet als minister krijgen, de edellieden konden hem niet als vriend krijgen. Want degene die zijn wilskracht cultiveert, die vergeet zijn lichaam; wie zijn lichaam cultiveert vergeet zijn eigenbelang, en wie de Tao bereikt vergeet zijn verlangens.

Hst 28 paragraaf X 371
Yan Hui sprak met Confucius en legt uit waarom hij geen ambtenaar wil worden. Confucius zet dat als zijn prestatie. Confucius: “Degene die het verstaat tevreden te zijn gaat zich niet uitsloven om ergens van te profiteren; degene die het verstaat zelf gelukkig te zijn is nooit bang iets te verliezen; degene die zijn innerlijk cultiveert wordt niet verdrietig als hij geen positie krijgt.”

Hst 28 paragraaf XI 372
Mou van Wei wendde zich tot Meester Shan die hem adviseert: ‘Hecht waarde aan het leven,’ zei Meester Zhan. ‘Als je waarde aan het leven hecht, dan denk je minder aan profijt.’

Hst 28 paragraaf XII 372-374
Het verhaal over Confucius die tussen Chen en Cai in baarde omstandigheden verkeert.

Zie notitie Confucius tussen Chen en Cai (in voorbereiding)

Hst 28 paragraaf XIII 374
Shun wilde afstand doen van de troon ten gunste van Wuzi. Deze sprak: Ik zou me schamen hem te ontmoeten.’ Daarop wierp hij zich in de diepten van Qingling.

Hst 28 paragraaf XIV 374-375
Tang wil de troon afstaan aan Bian Sui. Die weigert waarop hij zich in de wateren van Chou wierp en verdronk. Vervolgens wil hij de troon overdragen aan Wu Guang. Die weigert ook, nam een steen in zijn armen en verdronk in de wateren van de Lushui.

Hst 28 paragraaf XV 376
Toen lang geleden de Zhou-dynastie gesticht werd, woonden er twee heren in Guchu die Bo Yi en Shu Qi heetten.'Wij hebben geleerd dat als in de oudheid een heer een tijd van orde ontmoette, hij niet weigerde om te dienen, maar als hij een periode van wanorde aantrof, dan ging hij zich niet aan zijn ambt vastklampen. Nu is Alles onder de Hemel donker, en de deugd van de Zhou is in verval geraakt. Om hier zij aan zij met de Zhou-dynastie te verkeren bezoedelt onze personen. We doen er beter aan dit te vermijden omwille van de reinheid van ons handelen.’ Toen gingen de twee meesters naar de Shouyang-berg in het noorden, en daar kwamen ze om van de honger.

29. 盜跖 Dao Zhi - Rover Voetpad

Hst 29 paragraaf I 378-385
Confucius en Rover Voetpad

Hst 29 paragraaf II 386-389

Hst 29 paragraaf III 389-392

30. 說劍 Shuo Jian - Over zwaarden

Hst 30 paragraaf I 393-397
Zhuang Zi en het zwaardvechten

31. 漁父 Yu Fu - De oude visser

Hst 31 paragraaf I 398-405
Confucius en de oude visser

32. 列御寇 Lie Yukou - Lie Yukou

Hst 32 paragraaf I 406-407
Liezi en de soepverkopers

Zie ook Liezi hoofdstuk 2 paragraaf XIV (Meyer 2008 p89-90 / Graham 1960 p49-50). Vergelijkbare paragraaf.

Hst 32 paragraaf II 408-409
De schriftgeleerde Lamzak

Hst 32 paragraaf III 409
Draken slachten

Hst 32 paragraaf IV 409
Wapens vermijden

Hst 32 paragraaf V 409-410

Hst 32 paragraaf VI 410

Hst 32 paragraaf VII 410-411
Confucius is geen goed bestuurder

Hst 32 paragraaf VIII 411

Hst 32 paragraaf IX 411-412
Confucius over het menselijk hart

Hst 32 paragraaf X 412-413

Hst 32 paragraaf XI 413-414

Hst 32 paragraaf XII 414
Zhuang Zi weigert aan de regering deel te nemen

Hst 32 paragraaf XIII 414
De dood van Zhuang Zi

33. 天下 Tianxia - Alles onder de hemel

Hst 33 paragraaf I 415
De methode van Tao

Hst 33 paragraaf II 415-416

Hst 33 paragraaf III 416-417
De Confucianistische school

Hst 33 paragraaf IV 417-418
De honderd scholen

Hst 33 paragraaf V 418-419
Mo Di en zijn school

Hst 33 paragraaf VI 420-422
Song Xing en zijn school

Hst 33 paragraaf VII 422-423
Peng Meng, Tian Peng, Shen Dao en hun school

Hst 33 paragraaf VIII 424-426
Lao Zi (Oude Langoor), Yin de Wachter van de Bergpas en hun school

Hst 33 paragraaf IX 426-427
Zhuang Zi en zijn school

Hst 33 paragraaf X 427
Hui Zi en zijn school

Noten

1. Volgens indeling Kristofer Schipper. Die wijkt op onderdelen af van die van ctext.org. Zie de conversietabel voor een vergelijking per hoofdstuk.

colofon | cookies | afkortingen en iconen